Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied: Vijcie 14
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0870.02BP1087BgVijcie14-VA01

Artikel 3 Agrarisch

 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  2. de instandhouding, herstel en ontwikkeling van de in lid 4.2 genoemde landschapstypen en hun kernkwaliteiten;
  3. watergangen, waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers en taluds;
  4. extensief recreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen, zoals wandel- en fietspaden;
alsmede voor:
  1. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven (inclusief erfverhardingen), tuinen, groenvoorzieningen, perceelsontsluitingen, (landbouw)wegen, (onderhouds)paden en parkeervoorzieningen;
met dien verstande dat:
  1. tuinen, erven (inclusief erfverhardingen) en parkeervoorzieningen die behoren bij de onder a genoemde bedrijven uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan.
3.2 Bouwregels
 
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
 
3.2.1 Algemeen:
  1. gebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met dien verstande dat buiten het bouwvlak:
    1. de bestaande kazematten en groepsschuilplaatsen zijn toegestaan,waarbij de bestaande omvang als maximum geldt;
    2. de bestaande griendwerkersketen zijn toegestaan, waarbij de bestaande omvang als maximum geldt.
  2. de afstand van gebouwen tot de naar de weg gekeerde bouwgrens dient minimaal 5 meter te bedragen, of niet minder dan de bestaande afstand, indien die minder dan 5 meter bedraagt;
  3. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 3 meter te bedragen
  4. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
3.2.2 Bedrijfsgebouwen:
  1. de goothoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 7 meter bedragen;
  2. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 11 meter bedragen;
3.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen:
  1. permanente teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan;
  2. andere permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 4 meter (indien en voor zover sprake is van een bouwwerk);
  3. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan met een maximale bouwhoogte van 1,5 meter (indien en voor zover sprake is van een bouwwerk), met dien verstande dat deze buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'rivierenlandschap - kommen' en 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW';
  4. hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 meter (indien en voor zover sprake is van een bouwwerk).
  5. overige teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 meter (indien en voorzover sprake is van een bouwwerk).
3.2.4 Bedrijfswoning:
  1. per bouwvlak is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een ander aantal bedrijfswoningen is aangegeven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan.
  2. de inhoud van een bedrijfswoning, exclusief bijgebouwen, mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
  3. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 4,5 meter bedragen;
  4. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 9 meter bedragen;
  5. de bedrijfswoning dient te zijn voorzien van een kap met een dakhelling van tenminste 30° en ten hoogste 60°.
3.2.5 Bijgebouwen bij de bedrijfswoning:
  1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag per bedrijfswoning niet meer bedragen dan 70 m²;
  2. bijgebouwen dienen ten minste 2 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  3. de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  4. de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5 meter.
3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan hieronder is aangegeven:
 
bouwwerken, geen gebouwen zijnde                               maximale bouwhoogte
verlichtings- en vlaggenmasten                                                8 meter
erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn                  1 meter
erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn               2 meter
mestsilo's                                                                                    6 meter
veevoedersilo's                                                                         12 meter
sleufsilo's                                                                                     3 meter
paardenbakken (omheining) vóór de voorgevellijn                1,5 meter
paardenbakken (omheining) achter de voorgevellijn             2 meter
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde                        6 meter
 
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag buiten het bouwvlak niet meer dan 1 meter bedragen, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte van kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik niet meer mag bedragen dan 2 meter.
    2. bouwwerken voor mestopslag, voeropslag, sleuf- en andere silo's, water- en andere bassins en andere aan het bouwvlak gerelateerde voorzieningen niet zijn toegestaan.
    3. paardenbakken niet zijn toegestaan.
 
  1. de oppervlakte van de molen mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte;
  2. de goot- en bouwhoogte van de molen mogen niet meer bedragen dan de bestaande hoogten;
  3. de oppervlakte van bijgebouwen bij de molen mag niet meer dan 60 m² bedragen;
  4. de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  5. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 5 meter, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 meter;
    2. de bouwhoogte van verlichtings- en vlaggenmasten niet meer mag bedragen dan 8 meter.
3.3 Afwijken van de bouwregels
 
3.3.1 Teeltondersteunende kassen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3 om teeltondersteunende kassen toe te staan, mits:
  1. de teeltondersteunende kassen ten dienste staan van een vollegrondstuinbouwbedrijf of boomkwekerij;
  2. de teeltondersteunende kassen binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  3. de bouwhoogte niet meer dan 6 meter bedraagt;
  4. de oppervlakte niet meer dan 5.000 m² netto glas bedraagt;
  5. de teeltondersteunende kassen noodzakelijk zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  6. de bouw van de teeltondersteunende kassen geen omschakeling naar een (gespecialiseerd) glastuinbouwbedrijf tot gevolg heeft;
  7. de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen advies heeft uitgebracht omtrent de onder e en f genoemde voorwaarden;
  8. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
  9. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  10. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast.
3.3.2 Teeltondersteunende voorzieningen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3 om hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak toe te staan en lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen toe te staan buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'rivierenlandschap-kommen' en 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', mits:
  1. de bouwhoogte van lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 1,5 meter bedraagt en van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 meter bedraagt;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  3. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast.
3.3.3 Eerste agrarische bedrijfswoning
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.4 om de bouw van één eerste agrarische bedrijfswoning binnen het bouwvlak toe te staan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten', mits:
  1. de bedrijfswoning noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  2. de noodzaak van de bedrijfswoning niet het gevolg is van een eerder aanwezige, doch afgestoten bedrijfswoning;
  3. het bedrijf zonder een eerste agrarische bedrijfswoning redelijkerwijs op langere termijn niet is te exploiteren;
  4. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  5. de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen advies heeft uitgebracht omtrent de onder a t/m d genoemde voorwaarden;
  6. bij de bouw van de woning voldaan wordt aan de eisen van de Wet geluidhinder;
  7. bestaande (agrarische) bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering;
  8. de bedrijfswoning, gezien vanaf de openbare weg, voor de bedrijfsgebouwen wordt gesitueerd;
  9. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  10. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast.
  11. het bepaalde in lid 3.2 met betrekking tot de maatvoering en situering van een bedrijfswoning is van toepassing.
3.3.4 Toestaan bebouwing
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder d, sub 3 om bebouwing binnen het bouwvlak toe te staan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten', mits:
  1. middels (milieu)onderzoek is aangetoond dat bij de realisatie van bebouwing sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de directe omgeving;
  2. het bepaalde in lid 3.2 met betrekking tot de maatvoering en situering van bebouwing is van toepassing.
3.3.5 Vergroting inhoud bedrijfswoning
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken het bepaalde in lid 3.2.4 onder b voor het vergroten van de inhoud van een bedrijfswoning tot maximaal 900 m³, mits:
  1. er sprake is van een vrijstaande woning;
  2. de oppervlakte van het bouwperceel meer dan 500 m² bedraagt;
  3. de vergroting vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is, mede ook in relatie tot de omgeving waarin de woning gesitueerd is;
  4. de vergroting van de inhoud leidt tot een verhoging van de beeldkwaliteit, zowel van de woning zelf als van de omgeving waarin de woning gesitueerd is, mede ook in relatie tot het landschap waarin de woning gelegen is.
3.3.6 Hogere bouwhoogte bedrijfsgebouwen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder b om een hogere bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen toe te staan, mits:
a. de bouwhoogte niet meer dan 15 meter bedraagt;
  1. de hogere bouwhoogte noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  2. de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen advies heeft uitgebracht omtrent de onder b genoemde voorwaarde;
  3. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  5. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast.
3.3.7 Hogere goothoogte bedrijfsgebouwen fruitteeltbedrijven
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder a om een hogere goothoogte voor bedrijfsgebouwen bij fruitteeltbedrijven toe te staan, mits:
  1. de goothoogte niet meer dan 8 meter bedraagt;
  2. de hogere goothoogte noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  3. de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen advies heeft uitgebracht omtrent de onder b genoemde voorwaarde;
  4. de bedrijfsgebouwen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van het ter plaatse gevestigde fruitteeltbedrijf;
  5. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  7. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast.
3.3.8 Hogere bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.6 onder a om binnen het bouwvlak mestsilo's en veevoedersilo's met een hogere  bouwhoogte toe te staan, alsmede om binnen het bouwvlak overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bedoeld in lid
3.2.6 onder a, met een hogere bouwhoogte toe te staan, mits:
  1. de bouwhoogte van mestsilo's en veevoedersilo's niet meer dan 15 meter bedraagt;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 10 meter bedraagt;
  3. de hogere bouwhoogte noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  4. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  6. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast.
3.3.9 Woonunits voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 om woonunits voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers, zoals genoemd in lid 3.5.8, toe te staan, mits:
  1. de woonunits binnen het bouwvlak worden geplaatst;
  2. de bouwhoogte van de woonunits niet meer dan 4 meter bedraagt;
  3. er per bouwvlak niet meer dan 5 woonunits worden geplaatst;
  4. er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  5. er wordt voldaan aan de eisen op het gebied van brandveiligheid;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  7. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast;
  8. de ontwikkeling (het plaatsen van de woonunits) gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering van het landschap;
  9. wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in lid 3.5.8.
3.4 Specifieke gebruiksregels
 
Voor het gebruik gelden de volgende regels:
 
3.4.1 Strijdig gebruik
  1. het aanbrengen van permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, buiten het bouwvlak, is niet toegestaan;
  2. detailhandel is niet toegestaan, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde/geteelde artikelen/producten tot een maximale winkelvloeroppervlakte van 50 m², mits deze detailhandel plaatsvindt binnen het bouwvlak;
  3. permanente bewoning van vakantieappartementen is niet toegestaan;
  4. het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, waaronder begrepen kuilvoer- en mestopslag, is niet toegestaan;
  5. het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor niet als bouwwerk aan te merken mest- of andere bassins is niet toegestaan;
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
3.5.1 Bed and breakfast
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van bed and breakfast, mits:
  1. deze activiteiten plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing;
  2. de eventueel noodzakelijke verbouwingen binnen het hoofdgebouw plaatsvinden;
  3. maximaal 100 m² van de bebouwing voor bed and breakfast wordt gebruikt;
  4. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  5. het maximum aantal gasten dat gelijktijdig gebruik maakt van de bed and breakfast 6 bedraagt;
  6. voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor niet-agrarische nevenactiviteiten zoals opgenomen in lid 3.5.7.
3.5.2 Vakantieappartementen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van vakantieappartementen, mits:
  1. deze activiteiten plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing;
  2. de eventueel noodzakelijke verbouwingen binnen het hoofdgebouw plaatsvinden;
  3. per bedrijf niet meer dan 3 vakantieappartementen worden gerealiseerd;
  4. de oppervlakte van een vakantieappartement niet meer dan 50 m² bedraagt;
  5. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  6. voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor niet-agrarische nevenactiviteiten zoals opgenomen in lid 3.5.7.
3.5.3 Dagrecreatieve voorzieningen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van aan het buitengebied gebonden dagrecreatieve voorzieningen,
zoals verkoop van dranken, etenswaren en het bieden van zitgelegenheid en rondleidingen, mits:
  1. er geen sprake is van een inrichting waarvoor op grond van de Drank- en horecawet een vergunning is vereist;
  2. maximaal 100 m² van de bebouwing voor dagrecreatieve voorzieningen wordt gebruikt;
  3. er ten behoeve van de activiteiten geen ingrijpende bouwkundige voorzieningen worden getroffen;
  4. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  5. voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor niet-agrarische nevenactiviteiten zoals opgenomen in lid 3.5.7.
3.5.4 Beroep of bedrijf aan huis
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in de bedrijfswoning of bijgebouwen behorend bij de bedrijfswoning, mits:
  1. de woonfunctie van de bedrijfswoning in overwegende mate behouden blijft;
  2. de omvang van het beroep of bedrijf aan huis niet meer bedraagt dan 45 m².
  3. het beroep of bedrijf in de bedrijfswoning of bijgebouw bij de bedrijfswoning wordt uitgeoefend door degene die tevens de gebruiker van de bedrijfswoning is;
  4. het beroep of bedrijf voorkomt in de milieucategorieën 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis in Bijlage 2 of, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden aan een bedrijf behorende tot één van die milieucategorieën;
  5. het beroep of bedrijf geen publieksgericht karakter heeft;
  6. er geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit, in direct verband met de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis.
  7. voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor niet-agrarische nevenactiviteiten zoals opgenomen in lid 3.5.7.
3.5.5 Zorgboerderij
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van kleinschalige zorgactiviteiten ten behoeve van de dagopvang van zorgvragers, mits:
  1. deze activiteiten plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing;
  2. maximaal 250 m² van de bebouwing voor de zorgactiviteiten wordt gebruikt;
  3. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  4. bij beëindiging van de agrarische functie is het uitoefenen van de zorgactiviteiten niet meer toegestaan;
  5. voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor niet-agrarische nevenactiviteiten zoals opgenomen in lid 3.5.7.
3.5.6 Kleinschalig kamperen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van kleinschalig kamperen, mits:
  1. de kampeermiddelen worden gesitueerd binnen het bouwvlak of direct aansluitend aan het bouwvlak tot een afstand van maximaal 50 meter uit het bouwvlak, met dien verstande dat de kampeermiddelen niet buiten het bouwvlak mogen worden gesitueerd aan de aan de weg gelegen zijde van het bouwvlak;
  2. het aantal kampeermiddelen niet meer dan 25 bedraagt;
  3. het kampeerterrein uitsluitend in de periode 15 maart tot en met 31 oktober is toegestaan;
  4. ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kampeerterrein, zoals sanitaire voorzieningen, binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, waarbij:
    1. voor gebouwen de bouwregels uit lid 3.2.1 en 3.2.2 van toepassing zijn;
    2. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde de bouwregels uit lid 3.2.6 van toepassing zijn.
  5. het kampeerterrein op een zorgvuldige wijze wordt ingepast in het landschap;
  6. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  7. het kampeerterrein niet grenst aan een ander kampeerterrein waarvoor toestemming is verleend;
  8. voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor niet-agrarische nevenactiviteiten zoals opgenomen in lid 3.5.7.
3.5.7 Algemene voorwaarden nevenactiviteiten
Voor het toestaan van nevenactiviteiten gelden de volgende algemene voorwaarden:
  1. per agrarisch bedrijf mag maximaal 300 m² van de bebouwing gebruikt worden voor nietagrarische nevenactiviteiten, met dien verstande dat maximaal 500 m² van de bebouwing gebruikt mag worden voor niet-agrarische nevenactiviteiten;
  2. het agrarisch bedrijf blijft de hoofdfunctie;
  3. op eigen terrein wordt binnen het bouwvlak voorzien in voldoende parkeervoorzieningen;
  4. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving wordt niet onevenredig aangetast;
  5. de activiteit levert geen belemmering op voor de ontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', worden de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig aangetast;
  7. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, worden niet onevenredig aangetast.
3.5.8 Tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers, mits:
  1. de huisvesting uitsluitend plaatsvindt in een bedrijfsgebouw of een deel van de bedrijfswoning, dat gesitueerd is binnen een bouwvlak, danwel in woonunits zoals genoemd in lid 3.3.9;
  2. deze omgevingsvergunning wordt voor maximaal 5 jaar verleend;
  3. de tijdelijke huisvesting noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;
  4. de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen advies heeft uitgebracht omtrent de onder c genoemde voorwaarde;
  5. de huisvesting uitsluitend medewerkers betreft, die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;
  6. de huisvesting niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar bedraagt;
  7. er per bouwvlak niet meer dan 20 werknemers gelijktijdig worden gehuisvest;
  8. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  9. op eigen terrein binnen het bouwvlak in voldoende parkeervoorzieningen wordt voorzien;
  10. de huisvesting geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven;
  11. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast.
3.5.9 Grotere oppervlakte detailhandel:
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 onder b voor het toestaan van een grotere oppervlakte aan detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit, mits:
  1. de winkelvloeroppervlakte maximaal 100 m² bedraagt;
  2. de detailhandel een versterking betreft van de regionale detailhandelsstructuur;
  3. de detailhandel zoveel mogelijk eigen producten betreft, eventueel aangevuld met andere lokale en streekproducten;
  4. de detailhandel ondergeschikt is aan de reguliere agrarische activiteiten, zowel naar omzet als in oppervlakte;
  5. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  6. op eigen terrein binnen het bouwvlak in voldoende parkeervoorzieningen wordt voorzien.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
3.6.1 Verbod:
Het is verboden om op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een 'Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' van het bevoegde gezag, de in het schema 'Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden Agrarisch' in Bijlage 1 genoemde vergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren.
 
3.6.2 Uitzonderingen op het verbod:
Het in 3.6.1 genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden:
  1. die plaatsvinden binnen het agrarisch bouwvlak;
  2. die tot het normale onderhoud en beheer worden gerekend;
  3. die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan in uitvoering waren of waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning was verleend.
3.6.3 Toetsingscriteria:
De in 3.6.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:
  1. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden, en;
  2. als wordt voldaan aan de in het schema 'Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden Agrarisch' in Bijlage 1 genoemde criteria.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
 
3.7.1 Vormaanpassing agrarisch bouwvlak:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming Agrarisch geheel of gedeeltelijk te wijzigen voor de vormaanpassing een agrarisch bouwvlak, mits:
  1. de oppervlakte van het agrarische bouwvlak gelijk blijft;
  2. de vormverandering noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen hieromtrent heeft geadviseerd;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  4. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast;
  5. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving daardoor niet onevenredig wordt aangetast.
3.7.2 Vergroting bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming Agrarisch geheel of gedeeltelijk te wijzigen voor de vergroting van een agrarisch bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, mits:
  1. de oppervlakte van het bouwvlak na vergroting maximaal 2 hectare bedraagt;
  2. de vergroting noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  3. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf of indien het geen volwaardig agrarisch bedrijf betreft uit het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen blijkt dat door vergroting van het bouwvlak het bedrijf zal uitgroeien tot een volwaardig agrarisch bedrijf;
  4. is aangetoond dat binnen het bestaande bouwvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor de uitbreiding van de noodzakelijke bebouwing;
  5. de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen advies heeft uitgebracht omtrent de onder b t/m d genoemde voorwaarden;
  6. er een concreet bouw- en inrichtingsplan aan ten grondslag ligt;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  8. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast;
  9. de bestaande en nieuw te realiseren bebouwing landschappelijk wordt ingepast met beplanting;
  10. de vergroting niet tot gevolg heeft dat het bouwvlak wordt gesitueerd binnen de aanduiding 'zoekzone - EVZ' of 'zoekzone - water';
  11. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving daardoor niet onevenredig wordt aangetast;
  12. indien sprake is van een uitbreiding van verhard oppervlak met meer dan 1.500 m² dan dient ter compensatie waterberging te worden aangelegd met een inhoud van minimaal 436 m³ per hectare verhard oppervlak, waarbij de waterberging ook buiten het bouwvlak is toegestaan;
  13. de ontwikkeling (de vergroting) gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering van het landschap.
3.7.3 Burgerwoning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming Agrarisch ter plaatse van een bouwvlak te wijzigen in
Wonen ten behoeve van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits:
  1. het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf is beëindigd en agrarisch hergebruik van het perceel redelijkerwijs niet meer mogelijk is;
  2. er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt;
  3. de bestaande situering van de woning niet wordt gewijzigd;
  4. overtollige bebouwing wordt gesloopt, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en deze sloop is verzekerd middels een gesloten privaatrechtelijke overeenkomst;
  5. het bouwvlak wordt aangepast, zodat het hoofdgebouw van de woning binnen het bouwvlak komt te liggen, waarbij de maximale omvang van het bouwvlak 20x20 meter en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 2 meter bedraagt, met dien verstande dat als het hoofdgebouw niet binnen deze omvang past, de omvang van het hoofdgebouw mag worden aangehouden voor het bouwvlak en indien de afstand van het hoofdgebouw kleiner is dan 2 meter tot de zijdelingse perceelsgrenzen, die kleinere afstand mag worden aangehouden;
  6. er geen sprake is van een belemmering voor de ontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven;
  7. er wordt voldaan aan de eisen van de Wet geluidhinder;
  8. er ter plaatse van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
  9. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving daardoor niet onevenredig wordt aangetast;
  10. er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  11. de ontwikkeling (omzetting in burgerwoning) gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering van het landschap.
3.7.4 Agrarisch technisch hulpbedrijf en agrarisch verwant bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming Agrarisch ter plaatse van een bouwvlak te wijzigen in
Bedrijf ten behoeve van de vestiging van één agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch verwant bedrijf, mits:
  1. het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf is beëindigd en agrarisch hergebruik van het perceel redelijkerwijs niet meer mogelijk is;
  2. dit niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 hectare en het bouwvlak verwijderd wordt; indien het agrarisch bouwvlak een grotere omvang heeft dan kan het meerdere de bestemming Agrarisch behouden, mits voor dit deel eveneens het bouwvlak verwijderd wordt;
  3. de inrichting van het bestemmingsvlak een gunstige verhouding tussen bruto en nettoruimtebeslag bevorderd;
  4. er sprake is van een bebouwingspercentage en bouwhoogte welke passend zijn bij de aard van de omgeving en de beoogde ontwikkeling, met dien verstande dat de oppervlakte van de bebouwing nooit meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte;
  5. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  6. op eigen terrein in voldoende parkeervoorzieningen wordt voorzien en laden en lossen op eigen terrein geschiedt;
  7. er geen sprake is van een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;
  8. er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde artikelen/producten tot een maximale winkelvloeroppervlakte van 50 m²;
  9. er geen sprake is van een belemmering voor de ontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven;
  10. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving daardoor niet onevenredig wordt aangetast;
  11. er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  12. ter plaatse van de aanduiding 'waarde cultuurhistorie - erfgoed NHW', de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals genoemd in lid 4.3, niet onevenredig worden aangetast;
  13. de landschappelijke kernkwaliteiten van het ter plaatse aanwezige landschapstype, zoals genoemd in lid 4.2, niet onevenredig worden aangetast;
  14. de ontwikkeling (vestiging bedrijf) gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering van het landschap.